De Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorgt voor de vergoeding van medische kosten
die u als particulier niet kunt verzekeren of alleen tegen een hele hoge
vergoeding kunt verzekeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van een
langdurige ziekenhuisopname, de kosten van een verblijf in een verpleeghuis
of de kosten van zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. De AWBZ
is, samen met de zorgverzekeringswet, de kern van het Nederlandse
ziektekostenverzekeringsstelsel.
Artikel 9a van de AWBZ bepaalt dat
Burgemeester en Wethouders voorzien in een onafhankelijk indicatieorgaan dat
besluit of iemand is aangewezen op bij Algemene maatregel van Bestuur aan te
wijzen vormen van zorg. Artikel 9b van de AWBZ bepaalt dat de verzekerde
slechts aangewezen is op bepaalde vormen zorg in het kader van de AWBZ als
daar een indicatie voor is.
Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) is door alle gemeenten aangewezen om
die rol van onafhankelijk indicatieorgaan zoals bedoeld in artikel 9a van de
AWBZ te vervullen.
Het Zorgindicatiebesluit (Zib) bepaalt dat de indicatiestelling plaatsvindt
voor de zorg in de artikelen 4 t/m 10 en 13 tweede lid van het Besluit
Zorgaanspraken (Bza) en de wijze waarop deze indicatiestelling plaats moet
vinden.
Een nadere uitwerking van de vraag hoe moet worden vastgesteld of een
verzekerde is aangewezen op deze vormen van zorg, is vastgesteld in artikel 2
lid 1 en 2 van het Bza. Hierin staat dat de verzekerde aanspraak heeft op
deze zorg, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op
grond van een andere wettelijke regeling. Ook bestaat de aanspraak op zorg
slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt
van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.
Leeswijzer
Bijlage 1 bevat, in de vorm van beleidsregel Algemeen, een nadere uitwerking
van punten die op alle beleidsregels van toepassing zijn.
Bijlage 2 bevat de beleidsregel Grondslagen;bijlage 3 bevat de beleidsregel
Gebruikelijke Zorg. gegeven artikel 2 lid 1 en 2 van het Bza.
De bijlagen 4 tot en met 9 hebben betrekking op de artikelen 4 tot en met 10
en artikel 13 lid 2 van het Bza:
bijlage 4: beleidsregel Persoonlijke Verzorging (artikel 4 Bza);
bijlage 5: beleidsregel Verpleging (artikel 5 Bza);
bijlage 6: beleidsregel Ondersteunende Begeleiding (artikel 6 Bza)
inclusief Vervoer (artikel 10 Bza);
bijlage 7: beleidsregel Activerende Begeleiding (artikel 7 Bza) inclusief
Vervoer (artikel 10 Bza);
bijlage 8: beleidsregel Behandeling (artikel 8 Bza);
bijlage 9: beleidsregel Verblijf (artikel 9) inclusief voortgezet verblijf
(artikel 13 lid 2 Bza).
De beleidsregels treden in werking op 1 januari 2008 en werken terug tot die
datum indien de bekendmaking ervan in de Staatscourant na deze datum
plaatsvindt.
CIZ Indicatiewijzer. Toelichting op de Beleidsregels
indicatiestelling 2009
Om de Beleidsregels beter toepasbaar te maken, heeft het CIZ de bijlagen
uitgewerkt vanuit het perspectief van de indicatiestelling. Deze uitwerking,
de CIZ Indicatiewijzer, is een
toelichting op de bijlagen bij de nieuwe Beleidsregels. De CIZ
Indicatiewijzer draagt bij aan een transparante AWBZ en aan het verder
uniformeren van de indicatiestelling van de AWBZ-aanspraken.
Zie hier CIZ
Indicatiewijzer
Hierna worden
volgende onderwerpen beschreven:
Voorwaarden
Soorten zorg
Aanvraag
Vorm van de
vergoeding
Eigen bijdrage
Informatieplicht
Relatie met de
Wmo
►Voorwaarden Als u voldoet
aan de volgende voorwaarden, dan kunt u mogelijk recht hebben op een
vergoeding uit de AWBZ:
U woont in
Nederland; of
U woont niet in
Nederland, maar betaalt loonbelasting in Nederland omdat u in Nederland werkt
In bepaalde
uitzonderingsgevallen heeft u geen recht op een vergoeding uit de AWBZ
ondanks dat u aan een van de bovenstaande voorwaarden voldoet. Omgekeerd
geldt ook dat als u niet aan een van de bovenstaande voorwaarden voldoet, u
in uitzonderingsgevallen toch recht kunt hebben op een vergoeding uit de
AWBZ. Meer informatie kunt u opvragen bij het
College voor zorgverzekeringen (CVZ) Daarnaast is
het van belang dat u ingeschreven bent bij een zorgverzekeraar voor een
reguliere ziektekostenverzekering. Als u niet ingeschreven bent, dan kunt u
geen beroep doen op de AWBZ. De inschrijving voor de AWBZ wordt ieder jaar
met een kalenderjaar verlengd, zolang u ingeschreven bent bij een
zorgverzekeraar.
►Soorten zorg De AWBZ
verstrekt niet voor alle soorten zorg een vergoeding. Voor de volgende
soorten zorg kunt u mogelijk wel recht hebben op een vergoeding uit de AWBZ:
Persoonlijke
verzorging
Verpleging
Ondersteunende
begeleiding
Activerende
begeleiding
Behandeling
Verblijf in een
AWBZ-instelling
Vervoer naar
ondersteunende of activerende begeleiding
Gebruik van
verpleegartikelen zoals krukken of een rolstoel
Doventolkzorg
Voortgezet
verblijf langer dan één jaar met medisch noodzakelijke zorg
Zorg die te
maken heeft met het verblijf of het voortgezette verblijf in een
AWBZ-instelling
Prenatale zorg
met uitzondering van kraamzorg
Onderzoek naar
aangeboren stofwisselingsziekten
Vaccinaties uit
het landelijke vaccinatieprogramma
►Aanvraag Als u een
vergoeding voor zorg op basis van de AWBZ nodig heeft, dan moet u die
vergoeding aanvragen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). U kunt
daarvoor terecht bij het CIZ-kantoor in uw regio. Om te bekijken bij welk
CIZ-kantoor u kunt aanvragen, klik hier.
Het CIZ bekijkt
uw persoonlijke situatie en verzamelt alle benodigde medische gegevens. Aan
de hand van uw gegevens stelt het CIZ een indicatierapport op. Vervolgens
gaat het indicatierapport naar het zorgkantoor in uw regio. Voor de
adresgegevens van het zorgkantoor in uw regio, klik hier.
Het zorgkantoor beslist vervolgens hoeveel AWBZ-zorg u toegekend krijgt.
Afhankelijk van de zorg die u nodig heeft, krijgt u zorg in natura of een
persoonsgebonden budget. Zie hieronder.
►Vorm van de
vergoeding Een vergoeding
op basis van de AWBZ kunt u op twee manieren ontvangen. Afhankelijk van de
zorg die u nodig heeft, kunt u een persoonsgebonden budget (PGB) of zorg in
natura ontvangen.
►Zorg in natura
Zorg in natura wil zeggen dat de zorg die u ontvangt via de zorgverzekeraar
wordt betaald. U hoeft zelf dus in principe de betaling niet te regelen. Wel
is het mogelijk dat u een eigen bijdrage moet betalen. Zie voor de eigen
bijdrage hierna bij Eigen bijdrage.
►Persoonsgebonden budget Een PGB is
mogelijk voor persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende
begeleiding, activerende begeleiding, tijdelijk verblijf en vervoer in
verband met ondersteunende en activerende begeleiding. Als u een
persoongebonden budget ontvangt, dan krijgt u zelf een bedrag in handen waar
u zorg voor kunt ‘inkopen’. U bepaalt zelf van wie en wanneer u de zorg wilt
ontvangen. Uw zorgkantoor beslist of u in aanmerking komt voor een PGB en
welk bedrag u ontvangt. Wel is het mogelijk dat u een eigen bijdrage moet
betalen. De eigen bijdrage wordt in mindering gebracht op uw PGB. Het bedrag
dat u overhoudt na de aftrek van de eigen bijdrage wordt ook wel het netto
PGB genoemd. Zie voor de eigen bijdrage hierna bij
‘Eigen
bijdrage’.
U mag uw PGB
niet zomaar aan iets besteden. U moet namelijk aan het zorgkantoor kunnen
verantwoorden waar u het PGB aan besteed heeft. Een klein deel van uw PGB
hoeft u niet te verantwoorden. Het is wel de bedoeling dat u dit deel van uw
PGB besteedt aan zijdelings met de zorg verbonden kosten, zoals bijvoorbeeld
een bloemetje als uw verzorger ziek is.
►Eigen bijdrage U moet een
eigen bijdrage betalen voor de volgende soorten zorg:
Persoonlijke
verzorging Verpleging
Verblijf in
een AWBZ-instelling
Eigen bijdrage
persoonlijke verzorging en verpleging
Als u 18 jaar
of ouder bent en u verblijft niet in een AWBZ-instelling, dan moet u een
eigen bijdrage betalen voor de kosten van persoonlijke verzorging en
verpleging. De standaard eigen bijdrage is € 12,20 per uur. Er zit echter een
maximum aan uw eigen bijdrage. Dit maximum is afhankelijk van uw situatie:
Als u ongehuwd
bent en u bent jonger dan 65 jaar, dan bedraagt de maximale eigen bijdrage €
16,60 per vier weken. Uw inkomen mag dan niet hoger zijn dan € 16.137,- op
jaarbasis. Als uw inkomen hoger is, dan wordt het bedrag van € 16,60 verhoogd
met 15% van het verschil tussen uw inkomen en € 16.137,-.
Als u ongehuwd
bent en u bent 65 jaar of ouder, dan bedraagt de maximale eigen bijdrage €
16,60 per vier weken. Uw inkomen mag dan niet hoger zijn dan € 14.162,- op
jaarbasis. Als uw inkomen hoger is, dan wordt het bedrag van € 16,60 verhoogd
met 15% van het verschil tussen uw inkomen en € 14.162,-.
Als u gehuwd
bent en een van beide of beide partners zijn jonger dan 65 jaar, dan bedraagt
de maximale eigen bijdrage € 23,80 per vier weken. Uw inkomen mag dan niet
hoger zijn dan € 20.810,- op jaarbasis. Als uw inkomen hoger is, dan wordt
het bedrag van € 23,80 verhoogd met 15% van het verschil tussen uw inkomen en
€ 20.810,-.
Als u gehuwd
bent en beide partners zijn ouder dan 65 jaar, dan bedraagt de maximale eigen
bijdrage € 23,80 per vier weken. Uw inkomen mag dan niet hoger zijn dan €
19.837,- op jaarbasis. Als uw inkomen hoger is, dan wordt het bedrag van €
23,80 verhoogd met 15% van het verschil tussen uw inkomen en € 19.837,-.
Eigen
bijdrage bij verblijf in een AWBZ-instelling
Als u in een
AWBZ-instelling verblijft, dan moet u een eigen bijdrage betalen. De eerste
zes maanden betaalt u de zogenaamde lage eigen bijdrage. Daarna moet u in
principe de hoge eigen bijdrage betalen. Hiervan kan worden afgeweken als:
U gehuwd bent
en uw echtgenoot verblijft niet in een instelling
U bent gehuwd,
verblijft beiden in een instelling en voor een van u is nog niet de periode
van zes maanden verstreken. Dit geldt ook als een van u psychiatrische zorg
ontvangt en de periode van één jaar nog niet is verstreken.
U financieel
moet zorgen voor uw eigen, stief- of pleegkind waar u kinderbijslag voor kunt
ontvangen. Of als u financieel moet zorgen voor uw eigen, stief- of pleegkind
jonger dan 27 jaar, dat studiefinanciering ontvangt.
De
zorgverzekeraar verwacht dat u (of uw partner) terug kan keren in de
maatschappij
Lage eigen
bijdrage
De lage eigen
bijdrage is 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen. Uw bijdrageplichtig
inkomen is ongeveer gelijk aan uw netto inkomen. De eigen bijdrage is
minimaal € 136,20 en maximaal € 715,- per maand. Als u een bijstandsuitkering
heeft of als uw inkomen de afgelopen twee jaar met minimaal € 1816,- is
gedaald, dan kunt u om een herziening vragen. Uw zorgkantoor bekijkt dan of u
de eigen bijdrage nog wel volledig moet betalen.
Hoge eigen
bijdrage
De hoge eigen
bijdrage is maximaal € 1773,40 per maand en minimaal 8,5% van het
bijdrageplichtige inkomen. Uw bijdrageplichtig inkomen is ongeveer gelijk aan
uw netto inkomen. Na aftrek van uw eigen bijdrage moet u minstens € 275,42
aan inkomen overhouden. Als u minder inkomen overhoudt, dan kunt u om een
herziening vragen. Uw zorgkantoor bekijkt dan of u de eigen bijdrage nog wel
volledig moet betalen.
Informatieplicht
Als u zorg op
basis van de AWBZ ontvangt of wilt ontvangen, dan bent u verplicht om op
verzoek alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is. Een verzoek om
informatie kan bijvoorbeeld afkomstig zijn van het CVZ of het UWV. Als u zich
niet aan de informatieplicht houdt, dan kan de zorgverzekeraar de schade
mogelijk op u verhalen.
Relatie met
de Wmo
Als u een
beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem heeft, dan
kunt u mogelijk in aanmerking komen voor een Wmo-voorziening. Maar als u
recht heeft op een AWBZ-voorziening, dan heeft u geen recht meer op een
Wmo-voorziening.
AWBZ-geïndiceerden
Als u in een
AWBZ-instelling verblijft, dan kunt u toch recht hebben op een
Wmo-voorziening. Dit geldt ook als u wel geïndiceerd bent voor een
AWBZ-instelling, maar er niet verblijft of in een zelfstandige woonruimte
verblijft. Als u geïndiceerd bent voor een opname in een AWBZ-instelling,
maar u staat nog op de wachtlijst, dan heeft u in principe geen recht op een
Wmo-voorziening omdat de voorziening tijdelijk wordt verstrekt. Een
tijdelijke voorziening kunt u via de thuiszorg verkrijgen.
Uitleen via
de thuiszorg
Als
u niet langer dan 26 weken een voorziening nodig heeft, dan heeft u geen
recht op een Wmo-voorziening. Zie verder “De voorziening moet voor u
langdurig noodzakelijk zijn”. Als u toch een voorziening nodig heeft, dan
kunt u die voorziening in bruikleen krijgen via de thuiszorg. De uitleen van
voorzieningen door de thuiszorg valt onder de AWBZ-zorg. Als u langer dan 26
weken, maar niet langdurig een voorziening nodig heeft, dan kan de gemeente
samen met de thuiszorg bekijken wie de voorziening verstrekt.
Rolstoelen
Als u in een
AWBZ-instelling woont en u ontvangt zorg in de instelling, dan kunt u in
aanmerking komen voor een AWBZ-rolstoel. Als u geen zorg ontvangt, dan kunt u
recht hebben op een rolstoel op basis van de Wmo. Zie verder “Vervoersvoorzieningen”.
Eigen
bijdrage
Als u zowel
voor de Wmo als voor de AWBZ een eigen bijdrage moet betalen, dan gaat de
eigen bijdrage van de Wmo voor. In totaal hoeft u niet meer eigen bijdrage te
betalen dan wanneer u alléén een eigen bijdrage had voor de Wmo of de AWBZ.
Zie voor de maximale hoogte van de eigen bijdrage hierboven bij ‘Eigen
bijdrage persoonlijke verzorging en verpleging’.
►Kosten
wassen en
merken kleding in een instelling
Bewassing en
meerkosten
Op de bewassing en kledingslijtage
is nog geen vastgesteld beleid. Berekening is afhankelijk van individuele
situatie. Hulpmiddel om tot deze berekening/verdeelsleutel te komen is de
Richtlijn Schulinck/Nibud. Wanneer er meerkosten zijn, volgt vanuit medisch
advies een vergoeding op waskosten en kledingslijtage op basis tabel Nibud.
Volgens het
college van zorgverzekeringen (CVZ) is het gebruikelijk dat een AWBZ
instelling het wassen van de kleding tegen een redelijke vergoeding
regelt omdat dit zo in het verlengde van de lichamelijke zorg ligt, dat dit
geen vrijblijvende service is. [zie de leveringsvoorwaarden verblijf van de
instelling]
Mede door het
uitgangspunt in de NZa-beleidsregel materiële kosten, heeft het CVZ aan de hand
van een landelijke enquête vastgesteld dat het gaat om een bedrag tussen de €
20,- en € 35,- per maand. Het CVZ is van mening dat de zorgaanbieder met de
cliëntenraad moet afspreken hoe de instelling met het onderscheid tussen
reguliere en extra waskosten (b.v. door incontinentie of morsen bij het eten)
wordt omgegaan. Om dat te
faciliteren wil de staatssecretaris en het CVZ samen met Actiz en het LOC een
modelafspraak maken.
Om een
cliëntenraad in staat te stellen een goed beeld te vormen van de berekeningen
en inzicht te hebben in de consequenties van de waskosten regeling voor alle
cliënten is het verstandig dat wanneer een cliëntenraad inzage wordt
verstrekt van de cijfers waarop deze berekeningen zijn gebaseerd. Iedere
bewoner heeft namelijk, wanneer hij daarom vraagt, recht op een
gespecificeerde nota met betrekking tot de werkelijk voor hem/haar gemaakt
waskosten. Om de waskosten te kunnen verdelen in “normale kosten” en “extra
kosten” is het daarom nodig om de “normale kosten” te kwantificeren. Wanneer,
zoals thans de praktijk is, de kosten hoofdelijk worden omgeslagen, kan
iemand hiertegen toch bezwaar aantekenen en kiezen voor een individuele
afrekening als de cliëntenraad eventueel akkoord zal gaan met de toegepaste
omslagmethode.
De gegroeide
praktijk wijst uit dat veel AWBZ-instellingen een verdeelsleutel hanteren,
die gebaseerd kan zijn op de NIBUD-normen voor een vergelijkbare situatie
thuis. In deze norm zijn de kosten van de wasmachine (afschrijving en
exploitatie) en verbruiksmaterialen opgenomen. Overigens heeft dit onderwerp
naar aanleiding van de uniformering van de regeling waskosten van
AWBZ-instellingen ook de aandacht van de landelijke politiek.
Doorberekening van het merken van kleding
Bij de kosten van
hetmerken van kleding is er een AWBZ-/instellingsbelang én een
bewonersbelang. Het ligt voor de hand om niet al te hoge kosten voor het
merken van kleding als een bewonersgebonden dienst door te berekenen aan de
bewoners; immers in het verpleeghuis kunnen bewoners hun wasgoed laten wassen
en dan mag je van bewoners vragen hun was zo aan te bieden dat dit voor het
verpleeghuis logistiek gemakkelijk mogelijk is.
Doorberekening
van extra diensten en overige kosten
Er zijn inmiddels
kritische Kamervragen gesteld over de financiële gevolgen voor de cliënten.
De staatssecretaris heeft hierop antwoord gegeven.
►Zie
hier