Onlangs is dit item
over het apparaat te zien geweest op NOVA TV.
Op
www.novatv.nl
onder tabblad 'archief' kan men cogknow intypen, dan krijgt u het filmpje
(7min) over cogknow te zien.
Het apparaat geeft ondersteuning voor:
- communicatie (o.a. fototelefoon)
- dagelijkse activiteiten (o.a. muziek
luisteren)
- gevoel van veiligheid (o.a. hulpknop)
- geheugen (agenda)
Het VUMC is op zoek naar mensen met een AD
diagnose, en een MMSE score tussen de 17-25 die het leuk lijken om mee
te doen aan dit onderzoek. (GDS score 3/4/ milde tot matige cognitive
achteruitgang).
COGKNOW project
020-7885665
Alzheimer van vergeetachtigheid te onderscheiden
Onderzoekers kunnen aan de plaats van
hersenactiviteit in het brein zien of iemand Alzheimer heeft, of gewoon
vergeetachtig is.
De hersenactiviteit van mensen met Alzheimer neemt
af als zij rust nemen of niet aan prikkels worden blootgesteld. Dit gebeurt
bij hen op een andere plek in het brein dan bij mensen die oud worden
zonder deze vorm van dementie. Daardoor kan mogelijk in een vroeg stadium
van de ziekte onderscheid worden gemaakt tussen
vergeetachtigheid door ouderdom of door Alzheimer.
Rust
Dat blijkt uit onderzoek van Jeske Damoiseaux, die vandaag aan VU medisch
centrum
promoveert. De
onderzoekster maakte het mogelijk de hersenactiviteit in rust te
registreren. Voorheen lukte dat alleen als het brein aan prikkels werd
blootgesteld.
Minder samenhangend
De hersenen van gezonde jonge mensen blijven ook
in rust actief. Bij oudere mensen gaan de hersencellen minder samenhangend
communiceren. Bij Alzheimerpatiënten is dat nog erger en gebeurt het dus
ook op een andere plek.
Volgens de onderzoekster hebben ouderdom en
Alzheimer duidelijk een ander effect en zijn ze dus van elkaar te
onderscheiden.
Bron: ANP 20 mei 2008
Nieuw onderzoek naar zorg en welbevinden dementiepatiënten
Een op de negen Nederlanders is bij overlijden dement. Epidemioloog Jenny
van der Steen start een nieuw internationaal onderzoek met als doel het
verbeteren van de zorg voor dementiepatiënten in verpleeghuizen. Wat is
goede zorg? En wat is de beste aanpak?
Van der Steen: “Dementie is een groeiend probleem binnen onze samenleving.
De verwachting is dat in de toekomst een kwart van alle Nederlanders bij
overlijden dement zal zijn. Dit nieuwe onderzoek richt zich specifiek op de
kwaliteit van de zorg in verpleeghuizen, het welbevinden van de patiënt en
de tevredenheid van de familie, met name in de laatste levensfase.”
“Pijn kun je meten”, vervolgt Van der Steen, “maar pijnbeleving en
pijnbestrijding bij dementiepatiënten zijn onderontwikkelde gebieden. Het
punt is dat deze mensen niet kunnen vertellen in welke mate ze pijn beleven.
Veel patiënten zijn in de laatste fase bedlegerig en hebben moeite met eten
en drinken. Een infuus of sondevoeding is vaak weinig zinvol en kan stress
opleveren. De patiënt begrijpt bijvoorbeeld niet waar de sonde toe dient en
probeert deze te verwijderen. Uitdroging is een veelvoorkomend verschijnsel
en is, met longontsteking, een belangrijke doodsoorzaak. Nederlandse
verpleeghuisartsen geven vooral palliatieve zorg (zorg rond het levenseinde)
en verzachten het fysieke lijden. In Amerika is ziekenhuisopname
gebruikelijk. Wat is de beste aanpak? We kunnen veel van elkaar leren.”
Cruciale rol voor verpleeghuisartsen
Van der Steen werkt nauw samen met collega’s in Boston, waar het onderzoek
al van start is gegaan. Het Nederlandse onderzoek bevindt zich in de
voorbereidende fase. “We willen tien tot vijftien verpleeghuizen benaderen
en zo’n 500 dementiepatiënten en hun families bij het onderzoek betrekken.
Gedurende een periode van vijf jaar volgen we deze patiënten van het moment
van opname tot het overlijden.
Verpleeghuisartsen spelen een cruciale rol in het onderzoek. Zij benaderen
de familieleden van patiënten om mee te werken aan het onderzoek en een
standaard vragenlijst in te vullen. In feite doen zij het meeste werk,”
glimlacht Van der Steen. “Wij verzamelen de gegevens en analyseren ze. Een
vergelijking van de Nederlandse praktijk met de VS kan meer duidelijkheid
geven over verbeterpunten van de Nederlandse verpleeghuiszorg. In de VS
kennen ze bijvoorbeeld nauwelijks verpleeghuisartsen. Wat heeft dat voor
gevolgen voor het contact met patiënt en familie? Het NWO steunt het
Nederlandse onderzoek, maar die internationale vergelijking kost veel extra
tijd en geld. Hiervoor is aanvullend budget nodig.”
Van der Steen zegt resoluut: “Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van
de zorg in Nederland. Maar voor ons is van belang dat de patiënt zo min
mogelijk lijdt en dat de familie tevreden is. Sterven maakt deel uit van
het proces en vraagt om een goede begeleiding. Dat moet je niet weg willen
moffelen. Dat vraagt om extra aandacht. ”
Voor meer informatie kunt u bellen naar:
020-4449694).
September 2006
Dover dan je denkt
Ouderen zijn dover dan ze denken. Volgens onderzoeker Cas Smits zijn circa
1,25 miljoen zestigplussers in Nederland slechthorend, maar slechts 22
procent draagt een hoortoestel. Smits promoveerde in januari 2006.
De Nationale Hoortest
Uit het onderzoek blijkt dat oudere Nederlanders de neiging hebben zichzelf
op gehoorgebied te overschatten. Smits liet ze een zelfontwikkelde hoortest
doen, die inmiddels bekend staat als de Nationale Hoortest. Deze is via de
telefoon of de computer te doen. Sinds de introductie in 2003 hebben zo’n
tweehonderdduizend mensen hem gemaakt en hij wordt nu ook in andere
Europese landen ingevoerd.
De helft zoekt hulp
De test laat zien hoe goed – of slecht – iemand gesproken woorden kan
verstaan in een rumoerige omgeving. Proefpersonen moeten aangeven wat ze
gehoord denken te hebben en als de antwoorden vaak fout zijn, krijgen ze
het dringende advies professionele hulp te zoeken. Van de deelnemers die
slecht of onvoldoende scoorden, deed dat maar de helft.
Vallen komt vaak voor, vooral voor ouderen. Eén op de drie mensen boven de
65 jaar valt eens per jaar. De gevolgen van vallen kunnen ernstig zijn,
zowel lichamelijk (van kneuzingen tot botbreuken) als mentaal (valangst en
verminderde activiteit). Struikelen is één van de belangrijkste oorzaken
voor vallen. Om meer inzicht te krijgen in balans en vallen, onderzoeken
Bewegingswetenschappers aan de Vrije Universiteit de struikelreacties van
ouderen.
Hiervoor is een opstelling gebouwd,
waarmee proefpersonen onverwacht tot struikelen kunnen worden gebracht.
Proefpersonen lopen over een soort catwalk. Af en toe komt er onverwacht
een plankje uit de grond, waarover de proefpersoon struikelt. De
proefpersonen dragen een soort parachute-tuigje dat voorkomt dat ze zich
bezeren wanneer zij zich niet staande kunnen houden.
Uit deze struikel-experimenten is gebleken dat ouderen vaker vallen dan
jongvolwassenen omdat zij minder goed in staat zijn om met hun beenspieren
snel voldoende kracht op te bouwen.
Meer informatie over struikelen en het onderzoek aan de faculteit der
Bewegingswetenschappen is te vinden op
Preventie van depressie en
slaapstoornissen bij MCI en vroege dementie: activatie van de biologische
klok middels licht
Stemmingsstoornissen en
slaapstoornissen komen zeer frequent voor patiënten met een milde cognitieve
stoornis, maar (nog) geen dementie (MCI patiënten), en patiënten met de
ziekte van Alzheimer. Deze stoornissen kunnen in sommige gevallen ernstig
zijn en aanleiding geven voor opname in een zorgcentrum of verpleeghuis.. Bij
beide stoornissen zou de biologische klok een rol kunnen spelen Deze kan
extra geactiveerd worden middels omgevingslicht, hetgeen bij patienten met
een gematigde tot ernstige dementie een gunstig effect heeft op de slaap en
stemming. Doel van het huidige onderzoek is na te gaan of behandeling met
licht ook werkzaam is bij MCI.
Het licht wordt bij de deelnemers thuis
geinstalleerd boven de eettafel, en zal met een schakelklok automatisch aan
gaan rond de voor de deelnemer gebruikelijke tijden van ontbijt en avondmaal.
Halfjaarlijks, tot aan twee jaar, bezoekt de deelnemer het Alzheimer centrum
voor een neuropsychologische evaluatie van stemming en cognitief functioneren.
Tijdens deze halfjaarlijkse bezoeken worden ook een paar kleine meet-apparaatjes
meegegeven, waarmee niet-belastend gedurende een paar dagen de slaapkwaliteit
en 24-uurs ritmes kunnen worden gemeten. Na afloop van deze metingen kunnen
de apparaatjes per post terug worden gestuurd naar het Alzheimercentrum.
In een aantal projecten worden slaap en circadiane ritmes
bestudeerd, met name bij gezonde en demente ouderen. Vraagstellingen
hierbij zijn onder meer:
- welke rol spelen
qualitatieve (slaapstadia) en quantitatieve (spectra, coherentie, niet-lineaire synchronisatie) aspecten van
slaap bij slaapafhankelijke cognitieve processen.
- wat zijn de consequenties
van slecht slapen voor het cognitief functioneren overdag?
- hoe zijn lineaire en
niet-lineaire cortico-corticale synchronisatie processen tijdens slaap en waken gerelateerd aan cognitieve
performance.
Bij het onderzoek naar deze vragen wordt, zowel in het (kleine) onderzoekslaboratorium als ambulant, gebruik gemaakt
van polysomnografie, actigrafie, speekselmonsters, te
analyseren op cortisol en melatonine m.b.v. RIA en Elisa, fMRI; MEG, Hi-Density EEG, neuropsychologie
en computergestuurde
cognitieve testen.
Contactpersoon:
Dr. Eus.J.W. Van Someren Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek
Tel: 020-5665497
e-mail:
e.vsomeren@vumc.nl | e.van.someren@nih.knaw.nl
Resting State
Connectivity
Titel: Functionele
connectiviteit in controles en Alzheimer patienten met resting state
fMRI
Gewoonlijk wordt de ziekte van
Alzheimer en andere dementieën gediagnosticeerd met behulp van klinische
maten, neuropsychologie en ook structurele MRI. De MRI scans tonen neuronale
degeneratie die begint in de hippocampale gebieden. Echter, er is een sterk
toenemende behoefte aan een nieuwe methode die gevoeliger is voor vroegere
identificatie van de ziekte van Alzheimer dan op dit moment mogelijk is. Een
nieuwe, veelbelovende techniek die voor dit doel gebruikt zou kunnen worden
is een methode om locale hersenactiviteit te meten m.b.v. functional magnetic
resonance imaging (fMRI). Deze verwachting is gebaseerd op het feit dat
verlies van functie vooraf gaat aan het verlies van structuur.
Typische fMRI methoden gebruiken geheugentaken die medewerking en inspanning
van patiënten vraagt. Dit kan problematisch zijn omdat patiënten vaak
moeilijkheden hebben met geheugentaken, een lage testscore behalen, en weinig
hersenactiviteit tonen in de structuren die betrokken zijn bij het geheugen.
Onderzoek naar de mogelijkheid om functionele beeldvormingstechnieken (zoals
fMRI) te gebruiken zonder daarbij afhankelijk te zijn van geheugentaken zou
daarom van enorm belang zijn voor fMRI studies bij dementie, en de
mogelijkheden tot de klinische toepasbaarheid van fMRI drastisch vergroten.
Een nieuwe methode om fMRI toe te passen is het bestuderen van connectiviteit
tussen hersengebieden tijdens een zgn. rusttoestand (resting state) zonder
dat een geheugentaak wordt toegepast. Gebaseerd op recente data, verwachten
wij dat connectiviteit in geheugensystemen in de hersenen tijdens zo’n
rusttoestand (hier gedefinieerd als rusttoestand connectiviteit (RSC)) het
functioneren van de geheugensystemen reflecteert. Tijdens dit onderzoek
willen wij met deze RSC fMRI methode gezonde ouderen bestuderen, patiënten
met een milde cognitieve stoornis, maar (nog) geen dementie (MCI patiënten),
en patiënten met de ziekte van Alzheimer. Wij verwachten dat zowel binnen als
tussen hersengebieden die zijn aangetast bij de ziekte van Alzheimer de
connectiviteit verminderd zal zijn bij MCI en Alzheimer patiënten. Verder
verwachten wij dat andere hersengebieden minder of geen RSC verschillen laten
zien tussen MCI, Alzheimer patiënten en gezonden.
Als de RSC fMRI methode gevoelig is om cognitieve achteruitgang te meten, dan
zal dit van groot belang zijn voor het niet-invasieve dementie onderzoek,
omdat dan een methode bestaat om gemakkelijk functionele netwerken in de
hersenen te bestuderen zonder de noodzaak van het toepassen van geheugentests.
De methode kan dan in de toekomst mogelijk worden ingezet als sensitieve maat
voor vroege diagnostiek.
De belasting voor patiënten en proefpersonen zal voornamelijk bestaan uit de
relatief lange periode dat de patiënt/proefpersoon in de MRI scanner
verblijft (maximaal 45 minuten), en het verzoek zo stil mogelijk te blijven
liggen tijdens het scannen. Het MRI onderzoek is niet invasief, en er zullen
geen contrastmiddelen worden toegediend tijdens het onderzoek.
Titel: De
neuro-inflammatoire response als diagnostische marker voor de preklinische
fase van de ziekte van alzheimer. Microglia activatie in Mild Cognitive
Impairment en de ziekte van Alzheimer
Achtergrond
Het doel van deze studie is het voorstadium van de ziekte van Alzheimer, mild
cognitive impairment (MCI), beter te omschrijven. Op grond van recent
wetenschappelijk onderzoek zijn er aanwijzingen voor een ontstekingsreactie
in de hersenen in een -waarschijnlijk - preklinisch stadium van AD.
Daarnaast zijn er aanwijzingen dat gedragsveranderingen - m.n. apathie (verlies
van initiatief en interesses) - een vroeg klinisch verschijnsel van AD zijn.
Tijdens dit onderzoek, dat deel
uitmaakt van een europees project, zal gepoogd worden een relatie aan te
tonen tussen geheugenstoornissen, apathie en microglia activatie zoals
aangetoond m.b.v. de PET ligand 11C-R-PK11195. Dit laatste betekent dat
gekeken wordt met een licht radio-actief gemerkte stof, die zich bindt aan
bepaalde ontstekingscellen in de hersenen, of er inderdaad sprake is van een
ontstekingsreactie in de hersenen. Tevens zal, in samenwerking met drs. S.N.M.
Schoonenboom, onderzocht worden of ontstekingseiwitten in het hersenvocht
(liquor) in combinatie met voorgaande parameters voorspellend zijn voor het
ontwikkelen van de ziekte van Alzheimer.
Onderzoeksopzet
De onderzochte groep bestaat uit personen met lichte geheugenstoornissen (zgn
Mild Cognitive Impairment, MCI) met of zonder kenmerken van apathie, personen
met de ziekte van Alzheimer en personen zonder geheugenklachten. Voor
deelname aan het onderzoek zullen patiënten en controles een screening
ondergaan bestaand uit lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek en een
neuropsychologisch onderzoek. Personen die deelnemen aan het onderzoek zullen
binnen drie maanden een MRI scan, een PET scan en een ruggenprik ondergaan.
Jaarlijks zal het neuropsychologisch onderzoek herhaald worden.
Titel:
Functiestoornissen van de mediale temporaalkwab bij de ziekte van Alzheimer:
een MEG studie.
Het doel van dit onderzoek is om
neurofysiologische veranderingen in de hippocampus op te sporen bij patiënten
met een vroege vorm van de ziekte van Alzheimer. Het uiteindelijke doel is
vroege diagnostiek van de ziekte van Alzheimer mogelijk te maken, waardoor
betere behandeling en begeleiding mogelijk is.
Een magnetoencephalogram (MEG) meet aan
de buitenkant van het hoofd de magnetische inductie-velden die het gevolg
zijn van de elektrische stromen binnen de hersencellen, samenhangend met de
activiteit van het hersenweefsel. Het is vergelijkbaar met het
electro-encephalogram (EEG), waarmee de electrische activiteit gemeten wordt,
met behulp van op het hoofd geplakte electrodes. Een recente MEG studie bij
patiënten met gediagnosticeerde ziekte van Alzheimer liet minder reactiviteit
zien vergeleken met controles tijdens geheugentesten. Met deze studie werd
echter niet in een specifiek gelokaliseerd gebied van de hersenen gemeten. De
hippocampus is een hersenstructuur die een grote rol speelt bij het geheugen
en die bij de ziekte van Alzheimer raakt aangedaan. Het theta ritme in de
hippocampus van normale proefpersonen speelt een rol bij cognitieve processen,
dit kon met MEG worden aangetoond. Verandering van het theta ritme in de
hippocampus tijdens geheugentaken zou een verbetering kunnen betekenen in de
diagnostiek bij vroege ziekte van Alzheimer. In onze studie worden
magnetische velden gemeten in rust en tijdens de uitvoering van verschillende
cognitieve taken die geheugen- en taalfuncties testen.
Gangbare MEG technieken zijn minder
gevoelig voor activiteit in dieper gelegen hersenstructuren, zoals de
hippocampus. Recent is een nieuwe MEG techniek ontwikkeld: Synthetic Aperture
Magnetometry (SAM). SAM maakt reconstructie van elektrofysiologische signalen,
ook uit dieper gelegen hersenstructuren mogelijk door gebruik te maken van
anatomische voorkennis, bijvoorbeeld verkregen met behulp van MRI. De
combinatie van deze technieken (MEG en SAM), waarbij neurofysiologische
signalen kunnen worden gemeten in de hippocampus zou een nieuwe stap kunnen
zijn in het ontrafelen van de humane neurofysiologie en de pathofysiologie
van bijvoorbeeld patiënten met de ziekte van Alzheimer. MEG onderzoek bij
Alzheimerpatiënten vindt momenteel in Nederland alleen in het Vumc plaats.
Studiecoördinator:
Drs. B. Jones
Tel: 020-4440724/0677
Witte stof afwijking en
dementie
Titel:Witte stof
afwijkingen en dementie
Naast de ziekte van Alzheimer bestaan
er ook andere vormen van dementie. De zogenaamde vasculaire dementie is daar
één van en wordt verondersteld veroorzaakt te worden door zuurstoftekort in
de hersenen door een niet-optimale bloedvoorziening (tijdelijk of permanent).
Bij een aanzienlijk aantal mensen boven de 60 jaar komen zogenaamde 'witte
stof afwijkingen' voor. Deze afwijkingen zijn te zien op een hersenscan.
Onduidelijk is wat ze precies betekenen omdat de meeste mensen er geen last
van hebben. We weten wel dat ernstige witte stof afwijkingen kunnen bijdragen
tot loopproblemen, depressie en geheugenstoornissen. Ook de precieze oorzaak
is niet bekend maar er zijn aanwijzingen dat de afwijkingen worden
veroorzaakt door het minder goed functioneren van de kleine bloedvaatjes die
het binnenste van de hersenen van bloed voorzien. Op den duur zouden deze
witte stof afwijkingen kunnen leiden tot dementie. Omdat de afwijkingen veel
voorkomen en lang niet iedereen met deze aandoening dement wordt is nader
onderzoek hiernaar nodig. Er wordt op het VUmc op 3 manieren aan dit
onderzoek gewerkt. Op de eerste plaats wordt gewerkt aan methoden voor de
meest optimale en betrouwbare meting van de witte stof afwijkingen op de
hersenscan. Daarnaast wordt in Europees verband onderzocht of de ernst van de
witte stof afwijkingen invloed heeft op het niveau van zelfstandigheid,
geheugen, evenwicht en stemming van mensen tussen de 65 en 84 jaar (het LADIS
onderzoek). Op de derde plaats kijken we of de witte stof afwijkingen
samenhangen met andere vormen van veroudering van het brein zoals de
zogenaamde atrofie.
Studiecoordinator:
Drs. E.C.W. van Straaten,
tel:020 4443337
Email:
I.vanStaaten@vumc.nl
Hersenvocht en bloed bij
geheugenproblemen
Titel: Onderzoek van
hersenvocht en bloed bij patiënten met geheugenproblemen
Inleiding
De ziekte van Alzheimer is een klinische diagnose. Zekerheid over de juiste
diagnose kan pas worden verkregen na het overlijden door middel van obductie.
Een vroege diagnose van de ziekte van Alzheimer is van belang om tijdig te
kunnen starten met therapie en begeleiding. Echter, juist in het begin van de
ziekte zijn de symptomen gering en kan verder aanvullend onderzoek (neuropsychologisch
onderzoek, MRI scan) nog normaal zijn. Onderzoek van de hersenen van
overleden oudere mensen heeft aangetoond, dat in een vroeg stadium al
afwijkingen worden gevonden die bij de ziekte van Alzheimer passen, terwijl
er klinisch nog geen tekenen waren van dementie. De karakeristieke
afwijkingen die worden gevonden bij de ziekte van Alzheimer zijn de plaques,
eiwitneerslagen bestaande uit het eiwit Amyloid-bèta (Ab), en de tangles,
eiwitkluwens in de hersencellen, grotendeels opgebouwd uit het tau eiwit (tau).
Hersenvocht staat in directe verbinding met de hersenen, en wordt geacht een
goede afspiegeling te geven van de processen die zich in de hersenen afspelen.
Aangetoond is, dat bij Alzheimer patiënten een bepaalde vorm van Ab, nl
Ab1-42, in het hersenvocht verlaagd is vergeleken met gezonde oudere mensen.
Verder is gevonden dat tau juist verhoogd is bij Alzheimer patiënten
vergeleken met controlepersonen. Deze verstoorde verhouding van eiwitten
blijkt ook al in een vroeg stadium van de ziekte aanwezig te zijn, zoals
gebleken is uit onderzoek bij patiënten met een mogelijk voorstadium van de
ziekte van Alzheimer, 'mild cognitive impairment' (MCI) genoemd. Minder
specifiek is met name het tau eiwit bij andere vormen van dementie: gebleken
is dat tau in het hersenvocht ook verhoogd is bij sommige patiënten met
vasculaire dementie of frontotemporale dementie. Waarschijnlijk is het
bepalen van verschillende eiwitten tegelijk een betere methode om patiënten
met Alzheimer te onderscheiden van andere vormen van dementie. Verder is het
van belang om te kijken of er een directe relatie bestaat tussen de
afwijkingen in het hersenvocht en de afwijkingen op de MRI scan, en in
hoeverre er veranderingen optreden in de tijd.
VUMC Dementia Bank
Om verder te onderzoeken wat de waarde is van het hersenvochtonderzoek in de
praktijk, is in mei 2001 in het VU medisch centrum een materiaalbank opgezet:
de 'VUMC Dementia Bank'. Van patiënten met verschillende vormen van dementie,
maar ook van patiënten met beginnende geheugenproblemen en gezonde ouderen,
wordt bloed, hersenvocht en urine verzameld en opgeslagen bij -80°C in het
laboratorium. Tevens wordt uit bloed DNA geïsoleerd en opgeslagen. Naast
Ab1-42 en tau worden in het hersenvocht -in samenwerking met verschillende
onderzoeksgroepen in binnen-en-buitenland- verschillende eiwitten bepaald die
mogelijk ook van waarde kunnen zijn als marker voor de juiste diagnose.
Tevens wordt er gewerkt aan testen die gevoelig genoeg zijn om deze eiwitten
te meten in bloed en urine.
Doel project
Onderzoeken wat de aanvullende
waarde is van de bepaling van Ab1-42 en tau in hersenvocht naast de
bestaande methoden van onderzoek bij de vroegdiagnostiek van de ziekte van
Alzheimer
Onderzoeken wat de verandering van
deze eiwitten is in de tijd met name in de vroege fase van de ziekte, en
of deze veranderingen overeenkomen met de veranderingen op de MRI scan
Nieuwe veelbelovende markers
onderzoeken in hersenvocht, bloed en urine
Meer inzicht krijgen in de oorzaak
van de ziekte
Wat betekent het praktisch gezien
voor u?
Aan alle patiënten met geheugenstoornissen zal toestemming gevraagd worden om
mee te doen aan het onderzoek. Bij sommige patiënten zal in het kader van het
algehele onderzoek al hersenvocht worden afgenomen. Voor deze patiënten
betekent dat dat er toestemming gegeven moet worden voor de afname van extra
hersenvocht. Indien u toestemt om mee te doen met het onderzoek zal er een
afspraak met u worden gemaakt. Het hersenvocht zal via een ruggenprik worden
afgenomen. Er zal ongeveer 14 ml hersenvocht worden afgenomen. Een klein deel
hiervan zal gebruikt worden voor de routinebepalingen om een eventuele
infectie uit te sluiten. U hoeft na deze ruggenprik geen bedrust te houden
zoals dit vroeger wel werd aangeraden. Hierna zullen 6 buizen bloed worden
afgenomen en er zal u gevraagd worden urine in te leveren.
Mogelijk zal u na een jaar worden gevraagd om nogmaals deel te nemen aan
soortgelijk onderzoek. U kunt dan altijd opnieuw beslissen of u wel of niet
deelneemt.
Titel Onderzoek:
Functionele MRI van het geheugen en dementie.
Met een MRI scanner kunnen hersenscans
worden gemaakt die gevoelig zijn voor de hoeveelheid zuurstof in de hersenen.
Als bepaalde hersengebieden meer of minder geactiveerd worden, verandert
lokaal de zuurstofconcentratie. Met MRI kan dus worden vastgesteld welke
hersengebieden actief zijn tijdens een bepaalde taak, bijvoorbeeld een
geheugentaak. Deze methode heet 'functionele MRI' (fMRI).
Het fMRI onderzoek aan het VU medisch centrum richt zich met name op het
geheugen en dementie. Hierin zijn verschillende lijnen te onderscheiden:
Bestuderen van geheugen processen
bij gezonde jonge mensen: waar in de hersenen spelen bepaalde
geheugenprocessen zich af? Voor een voorbeeld, klik hier (link naar poster
1 Rombouts)
Bestuderen van geheugenprocessen bij
gezonde ouderen, patiënten met 'mild cognitive impairment' (MCI), patiënten
met de ziekte van Alzheimer, en bij patiënten met andere vormen van
dementie, zoals frontotemporale dementie. Hierbij staat centraal in welke
hersengebieden het mis gaat tijdens een geheugentaak bij dementie, en of
dit bij verschillende vormen van dementie ook verschillende hersengebieden
zijn. Verder wordt onderzocht of in een heel vroeg stadium van cognitieve
stoornissen (MCI) m.b.v. fMRI een voorspelling kan worden gedaan over het
verdere verloop. We zijn dus op zoek naar fMRI 'markers' voor de ziekte van
Alzheimer. Voor een voorbeeld: klik hier (link naar poster 2 Rombouts).
Bestuderen van effecten van
medicatie op hersenactiviteit: waar en hoe verandert de hersenactiviteit
als een bepaald medicijn wordt gebruikt en wat betekent dat voor het
geheugen?
Een nieuwe ontwikkeling is het
toepassen van fMRI zonder dat een geheugentaak wordt afgenomen: de zgn.
'resting state'. Met deze techniek worden spontane oscillaties in de
hersenen gemeten (ogen dicht, in rust) en wordt gekeken in welke gebieden
in de hersenen deze oscillaties hetzelfde of juist verschillend zijn (dus:
welke hersengebieden 'praten' met elkaar tijdens rust?). Door te
onderzoeken wat normale connecties tussen hersengebieden zijn, kan in de
toekomst met deze methode worden gekeken of in een vroeg stadium van
dementie deze connecties in de hersenen veranderen.
Voor de uitvergroting van de
onderstaande posters heeft u
Acrobat reader nodig
Functionele MRI (fMRI) en
dementie
De ziekte van Alzheimer is pas met
enige zekerheid aan te tonen als de ziekte al een eind gevorderd is. In het
Alzheimercentrum van het VUMC zijn we op zoek naar nieuwe technieken die het
mogelijk maken om de diagnose Alzheimer eerder te stellen, zodat er ook
eerder kan worden begonnen met de juiste therapie. Eén van die technieken zou
functionele Magnetische Resonantie Imaging (fMRI) kunnen zijn.
FMRI is een techniek waarbij er scherpe opnamen (filmpjes) gemaakt kunnen
worden van veranderingen in de toevoer van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed
naar verschillende hersengebieden. Zulke veranderingen treden op zodra deze
hersengebieden meer of minder bloed (zuurstof en voedingsstoffen) nodig
hebben om te kunnen functioneren. In rust treden dergelijke veranderingen al
voortdurend op, maar ze kunnen worden uitgelokt door mensen een bepaalde taak
te laten verrichten, bijvoorbeeld een geheugentaak. De hersengebieden die
betrokken zijn bij het opslaan van nieuwe informatie moeten dan harder werken
en hebben meer bloed nodig. De doorbloeding van deze hersengebieden wordt
vervolgens aangepast aan de toegenomen behoefte. Deze herverdeling van bloed
kan zichtbaar worden gemaakt met behulp van een MRI scanner (zie plaatje).
Afbeelding 1. Een proefpersoon in de MRI scanner (uitgerust met fMRI
apparatuur).
De MRI scanner is in feite één grote magneet, in de vorm van een tunnel. De
proefpersoon wordt met kleren aan op een tafel gelegd en de tunnel in
geschoven. In de scanner wordt vervolgens de geheugentaak afgenomen (met
behulp van een projector en een spiegeltje). De veranderde doorbloeding van
hersengebieden tijdens het uitvoeren van de taak geeft een verandering van de
magnetische veldsterkte in deze gebieden. Het is deze verandering die wordt
opgepikt door het fMRI apparaat: meer bloed naar een hersengebied geeft meer
signaal, minder bloed geeft minder signaal. Op deze manier kunnen plaatjes
worden gemaakt van de hele hersenen waarop de patronen van veranderde
hersendoorbloeding zijn te zien ("aktivatiepatronen").
Ook al bevindt het fMRI onderzoek zich nog in een experimenteel stadium, in
de toekomst zouden functionele hersenscans een belangrijke rol kunnen gaan
spelen in het ziekenhuis. Om deze mogelijkheid verder uit te zoeken worden er
in het Alzheimercentrum globaal gezien twee soorten fMRI onderzoek gedaan.
Aan de ene kant zijn er de 'marker-studies', aan de andere kant de 'medicatie-studies'.
Marker-studies
In het Alzheimercentrum is aangetoond dat de aktivatiepatronen van
Alzheimerpatiënten verschillen van die van gezonde proefpersonen van dezelfde
leeftijd en mensen met een andere vorm van dementie (FTD) (1,2). We moeten nu
nog kijken hoe vroeg in het ziekteproces fMRI in staat is om dergelijke
verschillen aan te tonen. Over het algemeen wordt aangenomen dat
veranderingen in hersenfunctie eerder optreden dan structureel weefselverval
zoals dat bij de ziekte van Alzheimer optreedt. FMRI zou dus zeer geschikt
kunnen zijn voor de vroegdiagnostiek van Alzheimer of andere vormen van
dementie.
Bij marker-studies wordt er gezocht naar aktivatieveranderingen in bepaalde
gebieden ('markers'), die kunnen vertellen of er sprake is van Alzheimer of
niet (en dan bijvoorbeeld wijzen op een andere vorm van dementie zoals
frontotemporale dementie / FTD). Door dit onderzoek steeds vroeger in de
ontwikkeling van het ziekteproces uit te voeren hopen we de vroegste markers
voor dementie te vinden. In het beste geval vertellen zulke markers meteen
ook iets over de verdere prognose: blijven de klachten voorlopig zoals ze
zijn, of is er een snelle achteruitgang te verwachten? Hoe eerder je dus de
diagnose en de prognose kent, hoe vroeger je kunt beginnen met de juiste
therapie.
Medicatie-studies
Een tweede veelbelovende toepassing van fMRI is het onderzoek naar de
effecten van medicijnen in de hersenen. Tot nu toe konden zulke effecten niet
in beeld worden gebracht, omdat de schedel in de weg zat. Met fMRI is het
mogelijk om veranderingen in de bloeddoorstroming onder invloed van
verschillende soorten medicijnen te onderzoeken. De ontwikkeling van
anti-Alzheimer medicatie maakt het dus mogelijk om de effecten van deze
medicijnen op de hersenenaktiviteit van dementie-patiënten te onderzoeken en
de verschillende manieren waarop patiëntengroepen op deze medicijnen kunnen
reageren te klassificeren. We hopen natuurlijk dat de reaktie van patiënten
op de medicijnen iets kan vertellen over de geschiktheid van dat geneesmiddel
voor die subgroep van patiënten, en misschien zelfs over de prognose (zie
onder).
In de afgelopen drie jaar hebben we gekeken naar de effecten van drie
verschillende stoffen op hersenaktivatiepatronen zoals die optreden tijdens
het uitvoeren van verschillende geheugentests (voor een beschrijving van de
tests: zie onder). Raloxifen is een selectieve oestrogeen-receptor modulator
die bij gezonde oudere mannen de hersenaktivatie tijdens het opslaan van
nieuwe informatie blijkt te stimuleren (zie afbeelding 2). In samenwerking
met de Universiteit van Amsterdam (Drs. A. van Stegeren en Prof. Dr. W.T.A.M.
Everaert) hebben we onderzocht wat het effect is van de betablocker
propranolol op hersenaktivatie tijdens het uitvoeren van een emotionele
geheugentaak. Daarbij bleek er een duidelijke afname op te treden van
aktivatie in de amygdala / amandelkernen. Onze hoofdstudie betreft een
onderzoek naar het effect van galantamine (dual mode cholinesteraseremmer) op
hersenaktivatie bij patiënten met lichte geheugenklachten (MCI) en patiënten
met de ziekte van Alzheimer (AD). In deze studie vonden we een toename van
hersenaktiviteit tijdens zowel episodische geheugentaken als
werkgeheugentaken (zie afbeelding 3).
Afbeelding 2. Toename van hersenaktivatie tijdens face-encoding ten
opzichte van placebo naar aanleiding van het slikken van raloxifen 60 mg 1dd1
gedurende 3 maanden (gecorrigeerd voor uitgangswaarden van aktivatieniveau’s).
A.
B.
Afbeelding 3. Toename van hersenaktivatie ten opzichte van
uitgangswaarden naar aanleiding van het slikken van 2x4 mg galantamine
gedurende 5 dagen. A: Verandering in de aktivatiepatronen bij face-encoding.
B. Verandering in de aktivatiepatronen bij de werkgeheugentaak.
Galantamine is één van de weinige middelen waarbij de effectiviteit bij de
ziekte van Alzheimer duidelijk is aangetoond (3). Het wordt inmiddels overal
ter wereld voorgeschreven als medicament tegen de ziekte van Alzheimer. Het
middel is in staat om het ‘cholinerge systeem’ in de hersenen te stimuleren (zie
afbeelding 4). Dit cholinerge systeem produceert de signaalstof
‘acetylcholine’, die hersencellen nodig hebben om goed met elkaar te kunnen
communiceren (zie plaatje). Bij gevorderde ziekte van Alzheimer is (onder
andere) het cholinerge systeem beschadigd en is er een tekort aan
acetylcholine in de hersenen en gaat het mis met de dialoog tussen de
hersencellen. Galantamine is in staat om dit tekort weer aan te vullen,
waardoor de klachten aanvankelijk enigszins verminderen en het mogelijk is om
het voortschrijden van de ziekte gedurende ongeveer twee jaar te remmen. Met
fMRI proberen we te weten te komen welke hersengebieden na inname van
galantamine aktivatie-veranderingen laten zien. Dit is om verschillende
redenen interessant.
Ten eerste weet niemand precies wat de functie is van het cholinerge systeem
in de hersenen. Het speelt in elk geval een centrale rol bij aandacht en
geheugen (4). Door het cholinerge systeem te stimuleren met galantamine (en
te kijken welke gebieden hierdoor worden geactiveerd) hopen we dus een betere
indruk te krijgen van de functie van dit systeem. Ten tweede zouden de
veranderingen in hersenaktivatie na blootstelling aan galantamine klinische
betekenis kunnen hebben, dat wil zeggen: iets over de ziekte zelf kunnen
vertellen.
Afbeelding 4. Ligging van het cholinerge systeem in de hersenen.
Gekleurde gebieden zijn celuitlopers afkomstig uit het blauwe gebied: de
basale kern van Meynert, waar de acetylcholine geproduceerd wordt. Deze
acetylcholine wordt vervolgens via de celuitlopers verspreid over de hele
hersenen.
De ziekte van Alzheimer is niet bij iedere patiënt hetzelfde. Waarschijnlijk
bestaan er vormen van Alzheimer met een groter en een minder groot tekort aan
acetylcholine en wordt de aard (of de ernst) van de klachten mede bepaald
door de hoeveelheid acetylcholine die iemand nog ‘over heeft’ (5). Door het
cholinerge systeem te belasten (“provocatie-studie”) kan men een indruk
verkrijgen van de toestand van het systeem: een heftige reaktie zou kunnen
duiden op voldoende acetylcholine, terwijl een matte reaktie op een tekort
zou kunnen wijzen (of andersom). Door de gescande patiëntengroep te
behandelen met galantamine (of een ander medicament) is het mogelijk om na
verloop van tijd díe personen te identificeren die wel of geen baat hebben
gehad bij de behandeling (de ‘responders’ en de ‘non-responders’). Door
vervolgens te kijken naar het verschil in hersenaktivatie (na
galantamine-provokatie) tussen deze twee groepen zou je kunnen onderzoeken of
activatieveranderingen een voorspellende waarde hebben voor het uiteindelijke
succes van de behandeling: als er geen tekort is, dan hoef je het ook niet
aan te vullen. Uiteindelijk hoop je natuurlijk dat er in de toekomst maar 1
scan nodig is om vast te stellen of iemand baat heeft bij een bepaalde
behandeling (zoals galantamine).
De centrale rol van het cholinerge systeem bij aandacht en geheugenprocessen
suggereert verder dat dit systeem in staat is om lichte verslechteringen in
de geheugenfunctie (althans voor een deel) te compenseren (5). Als dit
inderdaad zo is, dan zou de ‘vitaliteit’ van het cholinerge systeem
informatie kunnen bevatten over het toekomstige beloop van een patiënt: als
het systeem gezond is en nog goed in staat te compenseren, dan zouden de
klachten nog wel een tijdje stabiel kunnen blijven (‘non-decliners’). Als het
systeem al is aangetast en het compensatievermogen valt weg, dan is er
mogelijk een snellere verslechtering te verwachten (‘decliners’). Om te
testen of dit inderdaad zo is zijn we bezig om de patiënten uit de
galantamine-studie tenminste 2 jaar te volgen (follow-up). Na afloop van deze
periode kunnen we de decliners en non-decliners identificeren. Het verschil
in hersenaktivatie na galantamine-provocatie tussen deze twee groepen zou dan
patronen op kunnen leveren die voorspellend zijn voor het verdere beloop van
de ziekte (prognostische markers; zie 'marker-studies').
Voor de toekomst hopen we dat dit soort medicatie-studies een veel gerichtere
keuze van geneesmiddelen en behandelingsstrategie zal toelaten dan tot nu toe
het geval is. Bovendien zou een scan van een patiënt met geheugenklachten bij
partners of verzorgers van deze patiënt een hoeveelheid ongewisheid over de
toekomst kunnen wegnemen die er nu altijd nog bestaat, zodat iedereen een
beter idee krijgt waar hij of zij aan toe is.
Beschrijving van de gebruikte geheugentaken
Taak 1 is een ‘face-encoding’ taak. Patiënten kijken in de scanner naar (onbekende)
gezichten die ze zo goed mogelijk moeten proberen te onthouden (terwijl ze
aangeven of het gezicht een man of een vrouw betreft). Direct daarna volgt de
face-recognition-taak, waarbij patiënten moeten proberen de eerder getoonde
(en dus bekende) gezichten te onderscheiden van niet eerder getoonde (dus
onbekende) gezichten (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5. Voorbeeld van een foto die men tijdens taak 1 zou kunnen
tegenkomen. U moet proberen het gezicht zo goed mogelijk te onthouden. Tevens
drukt u in dit geval op de linker knop, want de foto betreft een man.
Taak 2 is een ‘n-letter back working memory’ taak. Deze taak doet een beroep
op het ‘werk-termijn geheugen’: het soort geheugen dat je nodig hebt om
telefoonnummers te onthouden. Patiënten moeten letters of lettercombinaties
gedurende 1 tot 3 seconden kunnen vasthouden en hierbij eventuele andere
letters negeren (zie afbeelding 6).
C E V Q V T R G U G L
Afbeelding 6. Voorbeeld van een letter-reeks die men tijdens taak 2
zou kunnen tegenkomen. De letters verschijnen 1 voor 1 om de seconde. In dit
voorbeeld drukt men op een knop zodra een bepaalde letter twee letters eerder
ook al een keer op het scherm is verschenen (streepje).
Afbeelding 7. Voorbeeld van hersenaktivatiepatronen zoals die optreden
bij het actief onthouden van nieuwe gezichten (taak 1).
Afbeelding 8. Voorbeeld van hersenaktivatiepatronen zoals die optreden
bij het uitvoeren van de
n-letter back werkgeheugentaak (taak 2).
Lijst van Referenties
Rombouts,S.A.R.B. et al. Functional
MR imaging in Alzheimer's disease during memory encoding. AJNR Am J
Neuroradiol 21, 1869-1875 (2000).
Rombouts,S.A.R.B. et al. Loss of
frontal fMRI activation in early frontotemporal dementia compared to early
AD. Neurology 60, 1904-1908 (2003).
Tariot,P.N. & Federoff,H.J. Current
treatment for Alzheimer disease and future prospects. Alzheimer Disease &
Associated Disorders 17, S105-S113 (2003).
Mesulam,M.M. The systems-level
organization of cholinergic innervation in the human cerebral cortex and
its alterations in Alzheimer's disease. Cholinergic Mechanisms: from
Molecular Biology to Clinical Significance 109, 285-297 (1996).
DeKosky,S.T. et al. Upregulation of
choline acetyltransferase activity in hippocampus and frontal cortex of
elderly subjects with mild cognitive impairment. Ann. Neurol. 51, 145-155
(2002).
Onderzoekscoordinator:
Rutger Goekoop, arts-onderzoeker
fMRI Laboratorium
VU Medisch Centrum Amsterdam