Dossier
| Zorgplan
►
1. Implementatierapport
WGBO KNMG: Dossier ►
2. Gegevens die niet in het dossier thuishoren ►
3. De indeling van het dossier ►
4. Zorgplan (zorgdossier) ►
5. Van Zorgplan naar leefplan
► 6. Zorgplan
volgens het referentiekader van de LOC
In de Kwaliteitswet Zorginstellingen wordt gezegd:
“dat de betrokken partijen cliëntenorganisaties, aanbieders en zorgverzekeraars)
zelf uitspraak moeten doen over wat zij verantwoorde zorg achten en dat zij onderling hierover
overeenstemming moeten bereiken. Het gaat dan meestal om een document waarin 'basiszorg’,
‘minimale zorg’ of ‘gangbare zorg’ beschreven wordt, en dat ter advies aan de cliëntenraad
voorgelegd wordt. Het is ook mogelijk dat de cliëntenraad actief betrokken is geweest bij
het totstandkomen van dit document. De doelstelling is dat cliënten zelf een
uitspraak doen over wat verantwoorde zorg in hun ogen is. “
De Wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst (WGBO) is op 1 april 1995 in werking getreden. De wet is bedoeld
om de rechtspositie van de patiënt te verduidelijken en te versterken, en houdt daarbij
rekening met de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen als goed
hulpverlener.
In artikel 454 lid 1 van de WGBO
staat dat de hulpverlener (...) een dossier inricht met
betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier
aantekening van de gegevens over de gezondheid van de patiënt en de te diens
aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende
zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede
hulpverlening aan hem noodzakelijk is.
1. Implementatierapport
WGBO KNMG: Dossier
In het onlangs
uitgekomen implementatierapport van de KNMG (juni 2004)
staat ondermeer te lezen over het dossier: Dat deze bepaling
(art. 454 lid 1)
betekent dat de hulpverlener in een dossier aantekening moet houden van
al die gegevens over de patiënt die van belang zijn voor een goede
hulpverlening. Hieronder vallen naast aantekeningen over de gezondheid van de
patiënt en de uitgevoerde verrichtingen, ook andere gegevens die voor de
hulpverlening relevant zijn. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan
röntgenfoto’s, uitslagen van laboratoriumtests en bijvoorbeeld aan brieven
van andere hulpverleners. Tot deze stukken behoort ook het dossier dat de
nieuwe hulpverlener - bij wisseling van hulpverlener -, heeft overgenomen van
degene die eerder als hulpverlener van de patiënt optrad.
De kwaliteit van het dossier bepaalt mede de kwaliteit van de
zorg aan de patiënt. Door het geordend vastleggen van de hulpvraag van een
patiënt, zijn voorgeschiedenis, het onderzoek, de diagnose of werkhypothese,
het behandelplan, de gemaakte afspraken, de uitgevoerde behandeling, de
nazorg en de eventuele complicaties, wordt immers gewaarborgd dat
hulpverleners een behandeling kunnen evalueren, controleren, voortzetten of
overdragen.
Onderdeel van het kwaliteitsbeleid van de verschillende
beroepsgroepen is daarom de borging van de kwaliteit van het dossier. Zo
speelt de kwaliteit van het dossier bij visitatie voor kwaliteitstoetsing en
certificering vaak een belangrijke rol. Een belangrijke randvoorwaarde voor
de kwaliteit is de opbouw en de drager waarin het dossier is vastgelegd. Criteria als goede toegankelijkheid, de
mogelijkheid tot overdracht van gegevens bij waarneming of in de ketenzorg,
maar ook de mogelijkheid om te schonen, om delen of het geheel te kunnen
vernietigen, zijn bepalend of een bepaald type dossierdrager of dossiervorm
nog wel kan worden aangemerkt als een goed dossier. Het elektronisch dossier
wordt in toenemende mate als model gehanteerd. Het papieren dossier dat in de
meeste ziekenhuizen nu nog gehanteerd wordt, zal om die reden spoedig
volledig gedateerd zijn.
Over het algemeen wordt in een dergelijk
dossier vastgelegd:
• de inhoud van het medisch handelen (de
historie, de anamnese, het onderzoek, de diagnose, het behandelplan of
zorgplan, de correspondentie, de behandeling, de verrichtingen, de
begeleiding, de resultaten van de behandeling en de verpleging (Voor de term
‘verpleging’ of ‘verpleegkundige’ kan ook ‘verzorging’ resp. ‘verzorgende’
worden gelezen.);
• gegevens die een rol spelen bij het
onderhouden van de continuïteit van zorg (bijvoorbeeld door de vastlegging
van een behandelepisode, gegevens voor de overdracht bij waarneming,
problemen relevant voor de levensloopgeneeskunde zoals bij DES-dochters);
• gegevens die voor een patiënt ook bij volgende behandeling,
onderzoek en begeleiding relevant blijven (vastlegging van persoonsgebonden
gegevens);
• schriftelijke wilsverklaringen van de patiënt zoals de non-reanimatieverklaring,
de euthanasieverklaring of het donorcodicil.
Een veelgestelde vraag is in hoeverre de hulpverlener in het
dossier aantekening moet maken van de informatie die aan de patiënt is
verstrekt over onderzoek en/of behandeling (gevolgen, risico’s, alternatieven,
et cetera). Uit het oogpunt van kwaliteit en continuïteit van zorg is het van
belang om duidelijk in het dossier vast te leggen wie, welke informatie, op
welk moment aan de patiënt heeft verstrekt. Een andere hulpverlener moet met
de kennis uit het dossier het hulpverleningsproces kunnen voortzetten. Het
moet hem duidelijk zijn wat er is gebeurd en wie waarvan op de hoogte is. Dit
is van belang voor de overdracht en samenwerking tussen hulpverleners. Het
opnemen van een algemene afvinklijst is veelal niet voldoende. Meer
gedetailleerde checklists mogelijk wel. In de praktijk zal naar een evenwicht
moeten worden gezocht tussen enerzijds het borgen van de kwaliteit en
continuïteit van zorg en anderzijds de administratieve lasten die dat met
zich meebrengt.
Behalve uit het oogpunt van kwaliteit en continuïteit van
zorg is het ook voor het afhandelen van klachten en claims van belang om in
het dossier te vermelden in hoeverre de patiënt is geïnformeerd. In een
procedure geldt in principe dat de patiënt stelt en bewijst dat de
hulpverlener geen of geen adequate informatie heeft verstrekt. Uit de
jurisprudentie volgt echter dat van de hulpverlener kan worden verlangd dat
hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt en er voor zorgt dat de patiënt
bij de bewijslevering niet met lege handen staat. De hulpverlener doet er
daarom goed aan duidelijk in het dossier te beschrijven hoe, wanneer en
waarover hij de patiënt heeft geïnformeerd en of de patiënt deze informatie
ook begrepen heeft. Wanneer de patiënt dan beweert dat er geen adequate
informatie is gegeven, kan de hulpverlener aantonen dat hij aan zijn
informatieverplichting heeft voldaan.
2. Gegevens die niet in het dossier thuishoren De eerdergenoemde doelbinding van het medisch dossier,
namelijk het vastleggen van alleen die medische gegevens die voor de
behandeling of de zorg voor de patiënt noodzakelijk zijn, brengt met zich mee
dat gegevens moeten worden geweerd die er niet in thuis horen. In het medisch
dossier horen in elk geval niet thuis:
Correspondentie over schadeclaims en klachten Informatie over een klacht of claim die de patiënt heeft
ingediend, hoort in principe niet in het dossier thuis. In uitzonderlijke
situaties (bijvoorbeeld voor een goed begrip van de emotionele situatie van
de patiënt en zijn naasten), kan het van belang zijn dat in het dossier toch
informatie over een klacht of claim is opgenomen. In dat geval bespreekt de
hulpverlener de reden hiervoor met de patiënt en laat hij zien om welke
informatie het gaat.
MIP-meldingen en meldingen aan de Inspectie van calamiteiten In het dossier kan desgewenst wel een melding worden gemaakt
van het feit dat en het tijdstip waarop een dergelijke melding is gedaan. De
inhoud van de MIP-melding is in beginsel geen onderdeel van het dossier.
Gevolgen van een incident die van belang zijn voor het hulpverleningsproces
van de individuele patiënt, moeten uit hoofde van goed hulpverlenerschap wel
onderdeel uit maken van het dossier.
Keuringsgegevens Een behandelrelatie is een wezenlijk andere relatie dan een
keuringsrelatie. Soms kan zelfs sprake zijn van strijdige belangen. Daarom
moeten de gegevens over behandeling en keuring strikt gescheiden, in aparte
dossiers, worden bewaard. Uitzondering zijn de keuringsgegevens die de
keurende instantie met instemming van de patiënt aan de hulpverlener
verstrekt en aan het dossier worden toegevoegd.
Persoonlijke werkaantekeningen Persoonlijke
werkaantekeningen vallen niet onder het dossier. De hulpverlener moet die
altijd gescheiden van het dossier bewaren. Ze hebben per definitie een
tijdelijk karakter en dienen als geheugensteun voor de eigen gedachtevorming
van de hulpverlener. Het gaat om indrukken, vermoedens of vragen die bij de
hulpverlener leven. Zodra persoonlijke werkaantekeningen van belang blijken
voor de (kwaliteit of continuïteit van de) behandeling van de patiënt, moeten
zij in het dossier worden opgenomen. Daarmee zijn zij ook ter inzage aan de
patiënt. Dat kan soms lastig zijn, bijvoorbeeld als het om gegevens over (vermoedens
van) kindermishandeling gaat. Toch moeten deze in het dossier worden
opgenomen, zodra er sprake is van meer dan een allereerst vermoeden.
3. De indeling van het dossier Het systematisch vastleggen van gegevens in het dossier is
van belang voor een goede toegankelijkheid van het dossier, voor de kwaliteit
van de hulpverlening en voor de uitwisseling van gegevens met andere bij de
hulpverlening betrokkenen. De hulpverlener zal in het dossier van elke
patiënt moeten vastleggen:
• een set van persoonsgebonden gegevens die het hele leven
voor de patiënt van belang blijft;
• een set van episodegebonden gegevens die een bepaalde
behandelperiode voor de patiënt van belang is. Aan de hand van dit
onderscheid kan tot een verdere indeling van een dossier worden gekomen. Elk
dossier bevat als basis administratieve gegevens zoals
patiëntidentificatie, naamadres- woonplaats gegevens, verzekerings- en
financiële gegevens, gegevens als de naam van de huisarts en de naam van de
behandelend hulpverlener.
Gegevenssets, persoonsgebonden en episodegebonden gegevens
Bij het beschrijven van de (minimale) inhoud van het dossier
speelt de volgende vraag: Is het mogelijk om de soort gegevens (gegevenssets)
in het dossier zodanig in te delen dat selectieve bewaring van dossiers wordt
vergemakkelijkt? Om selectieve bewaring in de praktijk te vergemakkelijken,
is er onderscheid gemaakt in medische gegevens die van belang zijn in een
bepaalde ziekteperiode (episodegebonden gegevens) én medische gegevens
die van belang zijn gedurende het hele leven van de patiënt (persoonsgebonden
gegevens). Behalve voor selectieve bewaring kan deze indeling ook
gebruikt worden voor de geautoriseerde toegang tot gegevens. De in het
Implementatieprogramma ontwikkelde ‘Voorbeeldmatrix Toegang tot
Patiëntgegevens’19 verwijst voor de indeling van het dossier ook naar de
indeling in persoonsgebonden en episodegebonden gegevens.
De hulpverlener zal in het dossier van elke patiënt moeten
vastleggen:
• een set van persoonsgebonden gegevens die het hele leven
voor de patiënt van belang blijft;
• een set van episodegebonden gegevens die een bepaalde
behandelperiode voor de patiënt
van belang is. Aan de hand van dit onderscheid kan tot een
verdere indeling van een dossier worden gekomen. Elk dossier bevat als basis
administratieve gegevens zoals patiëntidentificatie, naamadres-
woonplaats gegevens, verzekerings- en financiële gegevens, gegevens als de
naam van de huisarts en de naam van de behandelend hulpverlener.
Vervolgens worden bijvoorbeeld de medische, paramedische
en/of verpleegkundige gegevens aan het dossier toegevoegd. Deze gegevens
worden onderscheiden in:
a. Episodegebonden gegevens zoals: (zorgdossier
aanwezig op de afdeling)
• vraagstelling
• voorgeschiedenis
• anamnese
• lichamelijk onderzoek
• werkhypothese/differentiaaldiagnosen/diagnose
• onderzoekplan, behandelplan
• verrichtingen
• resultaten
• gegeven informatie aan de patiënt
• toestemming van de patiënt bij risicovolle ingrepen
• eventuele toevoegingen op verzoek van de patiënt
• conclusie
• beloop
• correspondentie.
b. Persoonsgebonden gegevens zoals: (medisch dossier
aanwezig bij de arts)
• allergie
• genetische aandoeningen
• orgaandonor/recipiënt
• doorgemaakte ziekte met implicaties voor de toekomst
bijvoorbeeld hepatitis B, TBC, HIV
• schriftelijke wilsverklaringen zoals euthanasieverklaring,
geen bloed toediening op basis
van geloofsovertuiging, het donorcodicil en dergelijke
• ingebracht materiaal/protheses
• medicatiestatus/geneesmiddelen historie.
Vastlegging van gegevens vindt geordend plaats, van sommige
gegevens zal op het moment van vastlegging al duidelijk zijn of dit persoons-
dan wel episodegebonden gegevens zijn. Het definitief vaststellen of een
gegeven als een persoonsgebonden of een episodegebonden gegeven moet worden
gekarakteriseerd, vindt 10 jaar na het einde van de behandeling plaats. Op
dat moment kan ook rekening worden gehouden met de laatste ontwikkelingen in
de medische wetenschap.
4. Zorgplan (zorgdossier)
Tijdens de observatieperiode stelt de
verzorging samen met u een zorgplan op. Als er sprake is van
geheugenstoornissen gebeurt dit samen met de wettelijk vertegenwoordiger. In
het plan wordt vastgelegd met welk doel welke zorg nodig is. Tevens vermelden
zij uw eigen aandeel in de zorg en behandeling. Zij bekijken regelmatig of
het zorgplan naar tevredenheid verloopt. Het zorgplan wordt met u of uw
vertegenwoordiger en in ons multidisciplinair team besproken. Mocht het nodig
zijn, dan passen zij uw zorgplan aan.
Betrokkenheid vertegenwoordigers Zorgplan
Het is heel belangrijk op te hoogte te zijn van de
tot standkoming van het zorgplan,
het inzagerecht en de rechtspositie van de patiënt. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)
is hierin duidelijk.
De zorgverleners overleggen met de cliënten over het uitvoeren
van de geplande zorg en het tijdstip waarop de zorg verleend wordt.
Voor de
(p.g.)- bewoner is een 1e
contactpersoon hierin heel belangrijk. Zij onderhouden namelijk het contact tussen
de cliënt
en de zorgverlener. In het zorgplan staat o.a. het volgende het
ziekteverloop, vastleggen van
opmerkingen en/of meldingen in de dagrapportage. De cliëntenraad
moedigt de 1e
contactpersoon aan tot inzage (onder begeleiding verpleging, i.v.m vragen en
uitleg hierop) van de dagrapportage. Dit is voornamelijk belangrijk:
1. Het is het wettelijke recht van de 1e contactpersoon/ vertegenwoordiger
2. Inzage maakt het volgende mogelijk: - begrip, inlevingsvermogen te
vergroten; - een heilzame uitwerking; - vragen of opmerkingen direct te kunnen
stellen, Op deze wijze wordt het mogelijk gemaakt inzicht te kunnen
krijgen in
het verloop van de geestelijke en lichamelijke gesteldheid/ niveau van de
relatie. Zeker in het kader van toekomstige overplaatsing.
De cliëntenfamilieraad benadrukt het belang
van een goede wisselwerking van samenwerking tussen zorgverlener en relatie.
Miscommunicatie bevordert nu eenmaal geen goede zorgverlening. De positie van
de afdelingsarts, afdelingshoofd, teamleiders en de contactpersoon van de
cliëntenfamilieraad spelen hierin een belangrijke sleutelrol.
De
raad verstrekt bij opname een informatiekrant, zodat het één en ander later
rustig na te lezen is. In deze informatiekrant is ondermeer informatie te
vinden over het inzagerecht. Zo probeert de raad in eerste instantie de
bewoner en relatie wegwijs te maken in het doolhof van rechten en plichten
van de cliënt. Mocht u er geen ontvangen hebben, vraag hier dan rustig om.
5. Van zorgplan naar leefplan
Een zorgplan bevat alle
afspraken over het aanbod aan zorg, zoals medicatie, verzorgende handelingen
en incontinentiematerialen.
De gebruikers van de zorg hebben daarin zelf meestal te weinig inbreng.
Door een zorgplan te verbreden tot een 'leefplan' krijgen zij de
gelegenheid om zelf de regie over hun leven op te nemen.
Het
boek ‘Van zorgplan tot leefplan’ biedt een model voor een leefplan.
Vijf leefgebieden staan centraal:
- gezondheid en zorg
- omgeving,
- contacten
- activiteiten
- persoonlijke leefstijl
Inhoud
Het boek gaat in op wat een leefplan is, en hoe het tot stand kan komen.
Welke methodes kunnen gebruikt worden om een duidelijk beeld te krijgen van
wat iemand wil en wat haalbaar is? Bijvoorbeeld het invullen van een ‘wensboom’.
Het boek biedt praktische handvatten waar iedereen mee aan de slag kan.
Voor wie?
Het boek is bestemd voor iedereen die te maken heeft met de verzorging: de
cliënt zelf, de verzorgende, de manager en de beleidsmaker.
Auteur
Het boek is geschreven door Gabriëlle Verbeek, directeur en senioradviseur
van Artemea.
Artemea, bureau voor vraagsturing en innovatie, heeft in samenwerking met de
beroepsvereniging Sting (voor de verzorging) en de LOC (Landelijke
belangenorganisatie voor cliëntenraden) een project opgezet voor de
ontwikkeling van leefplannen.
6. Zorgplan
volgens het referentiekader van de LOC (vrijblijvende richtlijnen)
ëntenperspectief De zorgverleners overleggen met de cliënten over het uitvoeren
van de geplande zorg en het tijdstip waarop de zorg verleend wordt.
De instelling moet werken met een individueel zorgplan.
Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 6 weken na opname van
de cliënt wordt een individueel zorgplan opgesteld.
Het zorgplan komt in overleg met, en met instemming van de cliënt of diens
wettelijk vertegenwoordiger tot stand.
Bij het opstellen van het zorgplan:
wordt de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger gewezen op
de keuzemogelijkheden en de gevolgen van hun keuze. Wordt de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger gewezen op
mogelijke behandelvormen en benaderingswijze en de gevolgen hiervan. Wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen en
behoeften van de cli
In het zorgplan staat: Welke zorg de cliënt krijgt, met welk doel en op welk tijdstip.
Dat er een voor de p.g.-bewoner een levensboek gemaakt moet
worden.
Het zorgplan wordt regelmatig geëvalueerd.
Minstens 2 maal per jaar vindt een zorgplanbespreking plaats in
overleg met, en instemming van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger.
Indien nodig wordt het zorgplan bijgesteld.
Als de zorgbehoeften van de cliënt sterk veranderen vindt er
een zorgplanbespreking plaats.
§
De cliënt wordt elke dag in de gelegenheid gesteld op te staan.
§
De cliënt wordt minimaal 1 keer per dag helemaal gewassen
§
De cliënt wordt in ieder geval 2 maal per week de gelegenheid
geboden te douchen/baden.
§
De cliënt draagt dagelijks schoon ondergoed en schone kousen/sokken.
§
De cliënt draagt geen besmeurde of onwelriekende kleding.
§
De cliënt draagt geen kapotte kleding.
§
De cliënt draagt geen kleding van een andere cliënt.
§
De nagels van de handen worden in ieder geval eenmaal per twee
weken geknipt/gevijld (verzorgd).
§
De nagels van de tenen worden in ieder geval eenmaal per 6
weken verzorgd.
§
De cliënt dient een verzorgd uiterlijk te hebben. De haren zijn
gekamd of geborsteld, en de cliënt wordt (indien nodig) dagelijks geschoren.
Toiletgang
§
De cliënt moet naar het toilet kunnen gaan als dat nodig is. Te
allen tijde, dus ook ’s nachts, waarbij de cliënt binnen 10 minuten wordt
geholpen. De instelling werkt dus niet met toiletrondes in de zin van door de
organisatie van tevoren vastgestelde tijden waarop de cliënt (alleen dan)
naar het toilet kan of mag.
§
Er is sprake van een verantwoorde toiletgang als er deskundige
hulp met adequate hulpmiddelen is, de deur gesloten wordt en de verzorgende
desgewenst bij de cliënt blijft.
§
De cliënt krijgt alleen incontinentiemateriaal wanneer hij/zij
incontinent is.
§
De controle op het incontinentiemateriaal is afgestemd op het
gebruikte materiaal. In ieder geval vindt overdag elke twee uur een controle
plaats.
§
Een catheter wordt alleen geplaatst als het ook echt nodig is.
§
Gebruikers van een gehoorapparaat hebben een schoon,
ingeschakeld en functionerend gehoorapparaat in. Dagelijks wordt
gecontroleerd of het gehoorapparaat het doet.
§
Op een pg-afdeling wordt dagelijks gecontroleerd of de cliënt
de (eigen) bril draagt. Eens per jaar wordt gecontroleerd of de sterkte van
de glazen correct is.
§
De pg-bewoner wordt in ieder geval 2 maal per etmaal geholpen
bij de mondverzorging van het eigen gebit. Is er sprake van een kunstgebit
dan gebeurd dit 1 maal per etmaal.
§
Op een pg-afdeling wordt dagelijks gecontroleerd of de cliënt
het (eigen) kunstgebit in heeft. Eens per jaar wordt het gebit gecontroleerd
op pasvorm.
Alarmopvolging
§
Er is in een systeem van persoonsalarmering voor alle cliënten
aanwezig.
§
Het personeel dient binnen 2 minuten contact te leggen na een
verzoek om hulp via de spreek-luister (intercom/telefoon) verbinding.
§
Binnen 5 minuten dient een adequate opvolging te geschieden.
§
Er bestaat een belregistratiesysteem met duidelijke normen voor
gemiddelde wachttijden en de maximale wachttijdoverschrijding. De cliënt is
hiervan op de hoogte.
§
Zorgverleners zijn deskundig in het omgaan met cliënt die in de
war zijn.
§
Zorgverleners besteden extra aandacht aan een zieke cliënt.
§
Er wordt volgens de richtlijnen gewerkt met betrekking tot
preventieve maatregelen ten aanzien van decubitus (zie bijlage).
§
Elke twee uur wordt gecontroleerd of de bedlegerige cliënt een
comfortabele lighouding heeft.
§
Alle taken worden alleen uitgevoerd door daartoe gekwalificeerd
personeel.
§
Zorgverleners nemen de cliënt niet meer uit handen dan nodig
is.
§
De cliënt moet zelf kunnen bepalen wanneer hij/zij ’s avonds
naar bed wil.
§
Binnen 30 minuten dient gehoor gegeven te worden aan de wens om
naar bed te gaan.
§
De cliënt wordt in de gelegenheid gesteld zichzelf te verzorgen
voor zover hij dat zelf wil en kan.
§
De cliënt bepaalt zelf:
Ø
het tijdstip waarop hij/zij gewassen wil worden
Ø
de kleding die hij/zij wil dragen
Ø
wanneer hij/zij naar het toilet gaat
Vrijheidsbeperkende maatregelen
§
Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen alleen toegepast worden
in verpleeg- en verzorgingshuizen die beschikken over een BOPZ-erkenning en
dan alleen bij het ontbreken van alternatieven en onder BOPZ voorwaarden.
§
Het al dan niet toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen
zal altijd in samenspraak met de cliënt of diens wettelijke vertegenwoordiger
in het zorgplan opgenomen moeten worden.
§
In het geval van een noodsituatie waarbij de
vrijheidsbeperkende maatregelen volstrekt noodzakelijk zijn om gevaar voor de
cliënt of anderen af te wenden dienen strikte protocollen te worden gevolgd.
§
Mocht een cliënt een verhoogd risico lopen ten aanzien van
valincidenten dienen adequate maatregelen te worden getroffen om deze te
voorkomen. Sederen, fixeren of andere vrijheidsbeperkende maatregelen worden
niet als adequate middelen beschouwd.
Bronnen:
1.
Standpunt
op evaluatie Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (nieuw venster)
http://www.minvws.nl/images/2225118_tcm10-19306.pdf
2. Nederlandse Wetgeving
http://www.recht4all.nl/wetten/wetten.htm
3.
VWS Evaluatie patiëntenwet- rechtspositie patiënt versterkt
4. LOC Verpleeghuizen en verzorgingshuizen vanuit
Cliëntperspectief http://loc.cusabo.bit.nl/upload/uploadedDocs/rapportvz.pdf
5. KNMG
http://knmg.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_100_TICH_R134135126231836

Deze site is voor het laatst bijgewerkt op 19 juli 2005
NB. De hierbij
vermelde gegevens vallen onder geen enkele verantwoordelijkheid van de
Clientenfamilieraad en of management van Evean Oostergouw
|